Lenen is sneu

Als kind hoorde ik het vaak zeggen: van ruilen komt huilen. Veel van mijn leeftijdsgenoten (veertigers inmiddels) zullen het herkennen. Het kwam er op neer dat je eerst goed moest nadenken over het ruilen van spullen, want meestal kreeg je achteraf spijt. Nog beter was het om zelf iets aan te schaffen. Dan was je minder afhankelijk van een ander. Dat zeiden die volwassenen nooit hardop, maar daar kwam het in de praktijk wel op neer. En zo geldt dat (helaas) nog steeds. Wie iets bezit, is iemand. Da’s les 1 van het kapitalisme hè.

Ik ben geboren in 1975 en heb de jaren negentig dus heel bewust meegemaakt. Het kon niet op. Ik herinner me een tv-reclame van een bank waarin werd verteld dat je een lening kon krijgen voor een verbouwing van je huis, maar waarbij het geld uiteindelijk gebruikt werd om een paard te kopen. Keurig aftrekbaar van de belasting. Daar deed niemand moeilijk over. Het is een bekend verhaal: we zijn in Nederland massaal gaan lenen, heel veel gaan aanschaffen en daarmee ver boven onze stand gaan leven. Geld uitgeven was nog nooit zo makkelijk. Alles wat je wilde, kwam binnen handbereik. En voor iedereen hè? Ongeacht afkomst of opleidingsniveau. Je hoefde geen proeve van bekwaamheid af te leggen om geld te kunnen lenen. Je hoefde ook niet eerst zelf te hebben gespaard. Een werkgeversverklaring en een salarisstrook was eigenlijk afdoende. En begrijp me goed, ik gun echt iedereen al het geluk van de wereld. Maar het klopte gewoon niet. Er was een tijd dat alleen de notaris in een groot huis woonde en met zijn kinderen op wintersport ging, omdat-ie nu eenmaal flink verdiende. Maar opeens werd dat voor iedereen de normaalste zaak van de wereld. Sterker nog: je was een beetje sneu, bleef een beetje achter als jij níet in een groot huis ging wonen en drie keer per jaar op vakantie ging. Herkennen jullie dat?

Het was in die jaren ook zeker niet populair om spullen van een ander te lenen. Gewoon even gebruiken en weer terugbrengen; geen denken aan. ‘Ja, duh, ik ga toch niet aan mijn buurman vragen of ik die kantjesschaar even mag gebruiken?’ Of: ‘Mijn vriendin ziet me aankomen als ik vraag of ik tòch nog een keer haar wafelijzer mag lenen. Die denkt vast dat ik te krenterig ben om het zelf te kopen. Of misschien denkt ze dat ik het geld er niet voor heb.’

Tja. Gek eigenlijk. Waarom zijn we onszelf gaan wijs maken dat ‘bezit’ het hoogste goed is. Dat is lang niet altijd zo geweest namelijk. Neem de boeren. Die waren ooit gewend samen gereedschap aan te schaffen. Want waarom allemaal een ploeg kopen, als je die ook van elkaar kunt gebruiken? Gedeeld bezit betekende bovendien gespreide verantwoordelijkheid. Want samen zorgde je voor de reparaties en het onderhoud. En samen spaarde je voor een nieuw stuk gereedschap, als het oude vervangen moest worden. Zo ontstonden de bekende landbouwcoöperaties. Mooi systeem toch? Waarom zijn we daar toch weer vanaf gestapt? Of erger nog: waarom zijn we juist doorgeslagen in het oneindig consumeren voor eigen gebruik? Zoveel mogelijk spullen kunnen kopen werd de norm. Ook na de kredietcrisis zijn ‘we’ daar vrolijk mee doorgegaan. Blijkbaar nog niets geleerd. Misschien schets ik het iets te somber, maar ik wil dit punt toch even maken.

Want wat mij betreft gaan we vooral terug naar de tijd waarin we veel van elkaar leenden. Dat bespaart immers geld en grondstoffen, maar ook ruimte. Neem een grasmaaier die je deelt met de buren; die hoeft maar in een garage te staan. Bovendien geeft dat delen ook saamhorigheidsgevoel; we worden immers meer afhankelijk van elkaar. Dat geeft alle aanleiding om meer naar elkaar om te kijken.
Maar lenen werkt ook prima als proefperiode. Neem nou die broodbakmachine die je hebt gekocht. Je had je voorgenomen altijd op zaterdag brood te bakken. Maar na drie keer is de lol er al af. Misschien had je hem toch beter eerst even van je moeder kunnen lenen. Zodat je kon uitzoeken of het écht wat voor je was.
En zo werkt dat ook vaak bij kinderen, zie ik om me heen. Dan wil het zoontje op voetbal en wordt alles nieuw aangeschaft. Maar na een paar weken blijkt de sport toch minder aantrekkelijk. Maar ja, al die spullen hè? Had je nou toch maar die schoenen en scheenbeschermers geleend van een neefje. Nu ligt die voetbaluitrusting te verstoffen op de plank in de garage. Jammer toch? Het kost veel geld, maar het is ook verspilling van grondstoffen. Gewoon zonde. Laten we er niet langer zo ingewikkeld over doen, maar makkelijker iets uitlenen aan elkaar. Zodat we over een tijdje zeggen: ‘Lenen? Natuurlijk, want lenen is hip!’

Winkelwagen